De Heuvelstraat in Tilburg

Er wonen heel wat Gimbrères in Nederland. De stamboom van deze Gimbrères is in 1964 voor het eerst in kaart gebracht, ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de firma Gimbrère. Dertig jaar later is de stamboom aanzienlijk uitgebreid door G.M. (Bob) Gimbrère. Hij heeft in een uitvoerige correspondentie met alle hem bekende naamgenoten de jongere generaties in kaart gebracht en ook de nodige naspeuringen in Frankrijk gepleegd. Onze database is voor de Nederlandse Gimbrères grotendeels op zijn inspanningen gebaseerd. De documentatie van Bob Gimbrère is bijgewerkt tot 1996.

Jean François

Alle in Nederland wonende Gimbrères zijn terug te voeren op één gemeenschappelijke stamvader: Jean François Gimbrere. Hij werd ook geregistreerd als Johannes Franciscus, maar wie weet hoe hij werd aangesproken? Hij vestigde zich in 1838 in Tilburg, maar zijn aanstaande vrouw Adriana Rosiers bleef, in elk geval administratief, in Antwerpen achter. Op 23 oktober 1839 traden ze in Antwerpen in het huwelijk, in aanwezigheid van zijn beide ouders en haar moeder, de weduwe P.J. Rosiers. Jean François vestigde aan het Wilhelminapark een paraplufabriek. Toen hij op zoek ging naar een plek waar hij zijn paraplu’s, parasols en wandelstokken beter kon aanbieden vond hij in 1846 een pand in Heuvelstraat, tegenwoordig Heuvelstraat 11. Enige jaren later kocht hij twee huizen en een schuur, erven en tuin om zich daar blijvend te vestigen. Aan de pui van zijn pand liet hij twee ijzeren uitstaande paraplu’s als uithangborden aanbrengen. Na de verbouwing in 1886 prijkte boven de voordeur opnieuw de paraplu als uithangbord.

Tilburgsche Crt 1899

De kinderen van Jean François

Alle zoons van Jean François uit zijn huwelijk met Adriana Rosiers werden paraplufabrikant/handelaar. Zijn oudste kind, dochter Lucie, trouwde met een paraplumaker, de uit Frankrijk afkomstige Pierre Mas, die in Amsterdam “regenschermen” ging maken. Alleen zijn zoon Wilhelmus Franciscus, uit zijn huwelijk met Maria den Oetelaar, zocht een ander beroep: hij werd kantoorbediende in Breda.

De oudste zoon, Johannes Hendrikus (geb. 1843) werd paraplumaker in Leiden en ‘s Gravenhage. Hij heeft vermoedelijk niet als zelfstandig paraplufabrikant gewerkt. Er zijn in elk geval geen advertenties van Gimbrere paraplu’s in Leiden of Den Haag te vinden. Er lijken van hem geen levende nazaten meer te zijn die de naam Gimbrere dragen.

Zijn broers in Tilburg lieten veel meer sporen achter: Op de website van de Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed  is het volgende te vinden:

“In 1869 trok Jean François Gimbrere zich terug uit het bedrijf. Zijn zoon Alexander (geb. 1847) zette de zaak van zijn vader voort, later nam kleinzoon Charles (geb. 1882) het over.

Twee andere zonen, Guillaume (geb. 1845) en Adriaan (geb. 1849), begonnen gezamenlijk een paraplufabriek in de Wolstraat (nu Telexstraat), maar gingen in 1884 uit elkaar. Afzonderlijk gingen ze voort onder de namen Adrien Gimbère et Fils en Firma Guillaume Gimbrère. De ‘firma Adrien Gimbrère et Fils’ ging in 1907 failliet en Adriaan vertrok naar Amsterdam. 

Aan het einde van de 19e eeuw werkten er 6 mannen, 12 vrouwen, 3 jongens en een meisje in de paraplufabriek van Guillaume Gimbrère. Het handwerk werd steeds meer ondersteund door machines, in 1909 aangedreven door een gasmotor, later door elektriciteit. De fabriek groeide uit tot de grootste van Tilburg en exporteerde veel van haar fraaie modellen naar Nederlands Indië.

 

Kleinkinderen

Ook buiten Tilburg waren de Gimbrères actief met paraplu’s. Leo (geb. 1881) had een paraplubedrijf in Haarlem, in een voor Monopolyspelers aansprekende straat: de Barteljorisstraat. Louis (geb. 1883) was handelaar in paraplu’s, voor hij in 1919 naar de VS emigreerde. Hubert (geb. 1893) was paraplufabrikant in Deurne (B).

In 1951 was het voorbij met de Fa. Guillaume Gimbrère: Van de drie kleinkinderen van Jean François die het bedrijf dreven, overleed de jongste, Guillaume, Oudere zus en broer, Cato en François, besluiten dan het bedrijf te liquideren.

Gimbrere naaiatelier

 

Het oorspronkelijke bedrijf van Jean François, achtereenvolgens voortgezet door zoon Alexander en kleinzoon Johan, heeft na de Tweede Wereldoorlog nog een doorstart gemaakt als paraplufabriek, maar al snel ging de verkoop van kleding – aanvankelijk nog regenkleding – de boventoon voeren. 

Ook Lucien en Gustave, zoons van de vertrokken Adrien, hielden het nog lang vol in Tilburg. Zij richtten in 1907 de Paraplufabriek Holland op. Broer Cyprien, medevennoot, beheerde een paraplumagazijn in de Amsterdamse Kalverstraat. Pas in 1957 trad de laatste Gimbrère, Lucien, achterkleinzoon van Jean François, uit het bedrijf. Daarna waren de Gimbrères geen paraplufabrikant meer. 

 

.

 
Niet alleen paraplu’s

Met het uitdijend aantal nazaten vonden andere kleinzoons hun roeping buiten het parapluvak. Een van de andere kleinzoons (Jules J.M.) wordt arts en de eerste directeur van de GGD in Tilburg, maar de opvallendste loopbaan is die van Emile G.J. Gimbrère, zoon van Alexander. De onderstaande beschrijving ontlenen we aan Wiki Midden-Brabant:

Emile Gimbrère

E.G.J. (Emilius) Gimbrère (1891-1949),  afkomstig uit een bekend Tilburgs ondernemersgeslacht, behoorde tot de eerste groep van hoogleraren van de Rooms Katholieke Handelshoogeschool. Hij was rector magnificus in 1931-1932, 1936-1937 en in de oorlogsjaren 1941-1945. Gimbrère studeerde rechtswetenschappen in Utrecht. Als hoogleraar hield hij zich bezig met burgerlijk- en handelsrecht en krediet- en bankwezen. Toen hij op vijfendertigjarige leeftijd werd benoemd, kon hij al bogen op grote praktische ervaring in het bankwezen in voormalig Nederlands-Indië. Sinds 1917 was hij advocaat en procureur in Padang, in 1918 werd hij secretaris van de directie van de Nederlandsch Indische Handelsbank te Batavia, in 1919 subagent en vervolgens agent van deze bank te Soerabaja. Van 1923-1926 was hij daar directeur van het hoofdkantoor.

Gimbrère was eerder practicus dan wetenschapsman. Zijn colleges over Indische zaken, zoals de Javaanse suikerindustrie (waarover hij ook publiceerde), wisten zijn studenten echter zeer te boeien. In zijn verslaglegging van de Senaatsvergaderingen gaf hij volgens universiteitshistoricus Bornewasser blijk van literaire smaak en van een ironische pen. Hij was een pleitbezorger van de synthese tussen de economische en juridische wetenschappen. Zijn diesrede over ‘Jurist en econoom’ is daarvan het blijvende bewijs.

Oorlogsjaren

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog droeg hij zijn rectoraat over aan Cobbenhagen. Bij die gelegenheid roemde hij het studentenverzet en verklaarde hij trots dat er in de oorlogsjaren nog 115 tentamens waren afgenomen van studenten die in hun “schuilplaats” gelegenheid hadden gevonden hun studie voort te zetten. Hij stond stil bij de gijzeling van hoogleraren en rectoren en bij de nagedachtenis van de oorlogsslachtoffers. Tot slot riep hij de hogeschoolgemeenschap op tot het “bewust aankweken van een nieuwe geest, het scheppen van juister verhoudingen in academische kringen en de uitroeiing van materialisme en opportunisme”.

Maatschappelijke functies

Gimbrère was tevens lid van het ambtenarengerecht in Den Bosch, voorzitter van het Gemeentelijk Scheidsgerecht voor ambtenaren in Tilburg, lid van het College Rijksbemiddeling, en commissaris en lid van de Raad van Toezicht van de PNEM.

In Tilburg wordt prof. Emile Gimbrère nog in herinnering gehouden met een straatnaam.

Latere generaties

Inmiddels zijn we nog een aantal generaties verder. Gimbrères maken geen paraplu’s meer en de modewinkels die uit Gimbrère N.V. voortvloeiden worden per 2019 grotendeels onder een andere naam voortgezet. Toch is de naam Gimbrère nog nadrukkelijk in de samenleving aanwezig. Het meest opvallende bedrijf op internet is het advocatenkantoor van Tjaard Gimbrère. Leden van de familie oefenen verder de meest uiteenlopende beroepen uit, waarvan enkele in de publiciteit opvallen: een acteur (Casper), een wetenschapsjournaliste (Anna) en drie (!) auteurs van jeugdboeken (Gert, uit België; Danique en Armand). Ook zijn er verschillende artsen, toch een soort voortzetting van de chirurgijnen-traditie.

Het lijkt moeilijk er één uit te lichten die in het bijzonder het vermelden waard is, maar toch wagen wij het erop.

Zr. Lucie Gimbrère
Pagina uit het Utrechts Psalter

Maria Anna Josephine Theresia Gimbrère is een achterkleindochter van Jean François Gimbrere Ze is de oudste dochter van Camille Gimbrere, makelaar in tabak in Overveen. Zij trad in 1951 in een Benedictijner klooster, de Onze-Lieve-Vrouweabdij van Oosterhout en nam de naam Zuster Lucie aan. Zij kreeg in het klooster een opleiding tot boekbindster en boekrestaurator, aanvankelijk voor de eigen collectie. Vanaf 1962 ging zij ook aan de slag voor externe opdrachtgevers.

Van 1963 tot 1996 restaureerde Zuster Lucie Gimbrère 446 boeken. De meeste van deze boeken waren zeer waardevolle manuscripten, incunabula en post-incunabula. Een incunabel of wiegendruk is een boek dat tussen 1454 en 1501 werd gedrukt met losse letters en zo het handgeschreven boek ‘imiteert’. Een postincunabel is een boek dat tussen 1501 en 1540 werd gedrukt, met dezelfde basistechniek als die van een incunabel, maar waarin dan wel de eerste sporen van een afzonderlijke typografie al goed zichtbaar zijn. Sommige van de absolute pronkstukken van de Nederlandse verzamelingen gingen door haar handen.

Zuster Lucie hanteerde altijd dezelfde uitgangspunten, volgde de Franse bindtraditie en werkte in de voetsporen van de middeleeuwse boekbinder. Zij liet zich leiden door het boek zelf, door academische literatuur en de opdrachtgever, maar niet zozeer door de restauratie-ethiek voor middeleeuwse boeken in Nederland. Bovendien hield zij zich afzijdig van chemische experimenten en moderne technieken. Het Weekblad Oosterhout voegt daaraan toe: “Als het nodig was het papier te wassen, deed ze dat net als haar Franse voorganger in regenwater. Zuster Lucie had niet één uitgangspunt dat voor alle restauraties geldt. “Oh, ja, ik heb een algemeen uitgangspunt: doe alleen het hoogstnodige, zo min mogelijk. Dat kan betekenen dat je akelig veel moet doen.”

Het is juist deze benadering die haar werk tot een succes maakte. Door haar zorg voor de historie, de aandacht die ze gaf aan de kleinste archeologische aanwijzingen en haar werkwijze van zorgvuldige documentatie, kwam Zuster Lucie bovendrijven als belangrijke pionier in de geschiedenis van middeleeuwse boekrestauratie in Nederland.

In de loop van de jaren werd ze ook steeds competenter in paleografie, de ontcijfering van oud schrift. Dat kwam wel eens van pas, zeker als bij het losmaken van een boekband stukken hergebruikt manuscript opdoken. Een van die memorabele vondsten werd in 1988 gedaan toen ze negentiende-eeuwse dekbladen en drie dikke lagen lijm verwijderde bij de vijftiende-eeuwse Bijbel van de Bavokerk uit de collectie van de Utrechtse universiteitsbibliotheek. Aantekeningen uit de vijftiende eeuw kwamen tevoorschijn.

Tot de kostbaarheden die zij onder handen kreeg behoort het “Utrechts Psalter”, dat op de Unesco Werelderfgoedlijst is geplaatst (www.utrechtspsalter.nl). Voor de Koninklijke Bibliotheek restaureerde ze het beroemde Beatrijs-handschrift.

Zuster Lucie beheerst Grieks en Latijn en liturgische teksten vormen een wezenlijk bestanddeel van haar geestelijke bagage, wat haar een natuurlijke voorsprong verschaft op andere restauratoren. Ook haar communicatieve eigenschappen zorgden voor uitstekende relaties met verschillende universiteitsbibliotheken. Uniek, en hogelijk gewaardeerd, zijn haar restauratieverslagen, die een schat aan extra kennis over de geschriften geeft. Verslagen over alle 446 boeken die door haar handen gingen, zijn inmiddels aan de universiteitsbibliotheek van Leiden geschonken.

Zij staat nationaal en internationaal onder de deskundigen bekend als de beste restaurateur van middeleeuwse boeken en manuscripten die naoorlogs Nederland heeft gekend. Verzoeken om ook buiten de abdij les te geven, weigerde zuster Lucie steevast. Ze had geen zin om buiten de veilige muren te treden. En natuurlijk, deze pure vorm van ora et labora, het engelengeduld van een kloosterlinge die liefst geen wereldlijke paden bewandelt, verdient het om beloond te worden met een burgerlijke ridderorde.

De “jongste” generaties

Voor genealogisch onderzoek van de latere generaties waren we grotendeels aangewezen op de eerdergenoemde stamboom Gimbrere. Uit privacy-overwegingen zijn publieke bronnen afgeschermd, al biedt internet weleens soelaas. Eén conclusie lijkt echter wel te trekken: alle nu levende Gimbrères zijn afstammelingen van drie zonen van Jean François, de eerste twee uit zijn huwelijk met Adriana, de derde uit dat met Maria Antonia den Oetelaar:

  • Guillaume (* 1845)
  • Alexander (* 1847)
  • Wilhelmus (* 1873)

Van zijn zoons Johannes en Adrianus zijn nog zoons c.q. kleinzoons aangetroffen, maar het lijkt er op dat die geen mannelijke nazaten hebben gekregen. De bovengenoemde drie hebben echter met hun echtgenotes heel wat nakomelingen voortgebracht.

De Familienamenbank van het CBG telde in 2007 134 dragers van de naam Gimbrere (met en zonder accent grave, pakweg halfom) waarvan nog een kwart in Breda en Tilburg woonde. De overigen zijn verspreid over alle provincies behalve Friesland en Flevoland. Ook zijn de Gimbrères uitgewaaierd naar België, Frankrijk, Engeland, de Verenigde Staten en Australië. Allemaal zijn ze afstammelingen van Jean François. De oudste Gimbrères die nu nog leven zijn zijn achterkleinkinderen.

 

 

Voor wie meer wil weten over belevenissen van de Gimbrères in Tilburg: de Koninklijke Bibliotheek heeft tegenwoordig een uitgebreid krantenarchief via internet ontsloten (https://delpher.nl/kranten) en publicaties over de Gimbrères zijn daar eenvoudig te vinden.

Wij troffen er verschillende berichten aan over branden die de panden van de familie teisterden (gelukkig goed verzekerd),  maar vooral over hun activiteiten in het verenigingsleven. De Gimbrères waren actief in de muziek (zie bijgaand bericht uit de Tilburgsche Courant van 1874, over een optreden van de Koninklijke Harmonie), het voetbal, de duivensport, biljarten en kegelen.