Jean François Gimbrere vestigde zich in 1839 in Tilburg als paraplumaker. Alle vier zoons uit zijn eerste huwelijk volgden de voetsporen van hun vader. En natuurlijk was ook zijn eerste schoonzoon paraplumaker. Ook negen van zijn kleinkinderen hebben nog als paraplumaker of -handelaar gewerkt. Meer dan honderd jaar is de naam Gimbrère verbonden geweest met paraplu’s. Hoog tijd dus om eens dieper in te gaan op de paraplu en het ontstaan van de relatie van de Gimbrères met de paraplu.

De ontwikkeling van de paraplu

Koning Xerxes onder zijn parasol

Paraplu’s en parasols hebben een lange geschiedenis, met een oorsprong in China, ongeveer 4000 jaar geleden. Ook in Perzië, Egypte, Griekenland en het Romeinse Rijk zijn in de oudheid parasols in omloop geweest, ook al opvouwbare modellen.

Parasols en paraplu’s (de begrippen waren lange tijd niet duidelijk afgebakend) kregen vanaf ca. 1600 een beperkt gebruik in Europa. Dienaren beschermden hun dame of heer ermee, vooral tegen de zon. Herders gebruikten hem als bescherming in het veld. Maar het waren nog geen handige gebruiksvoorwerpen, ze waren vooral nogal zwaar en volumineus.

Het verhaal van de “moderne” paraplu in Europa lijkt een duidelijk beginpunt te hebben: De eerste “lichtgewicht”, opvouwbare paraplu in Europa werd in 1705 geïntroduceerd door de Parijse uitvinder en koopman Jean Marius, wiens winkel zich in de buurt van het huidige Place des Ternes bevond. Het kan worden geopend en gesloten op dezelfde manier als moderne paraplu’s, en woog slechts 4 ons (“MARIUS (sieur) a inventé un parapluie commode très léger ne pesant que 4 onces qui se porte dans la poche, en demande le privilège, à la suite du placet description du parapluie”) [Bron: “Maison du roi. Copies d’actes émanés des rois Henri IV, Louis XIII et Louis XIV, recueillis pour servir de modèles (1610-1669)”].

Als doek werden weefsels gebruikt die minder regen opnamen dan katoen (dat wel voor parasols werd gebruikt) zoals gewaxt doek of, wat chiquer, taffeta, op basis van zijde.

Als handelaar in tassen en portemonnees begreep Marius dat een paraplu ook elegant moest zijn om een commercieel succes te worden. Hij leverde ze daarom in vele kleuren en werkte ze prachtig af. Hij ontving van de koning het exclusieve recht om opvouwbare paraplu’s te produceren voor een periode van vijf jaar. Prinses Palatine (schoonzus van Lodewijk XIV) kocht er een in 1712 en ze droeg haar enthousiasme over aan haar aristocratische vriendinnen, waardoor het een onmisbaar mode-item werd voor Parisiennes.

Jean Marius ontving nog een reeks patenten voor verbeteringen aan paraplu’s, maar dat was niet het enige dat hem bezighield. Hij ontwikkelde ook een nieuw model balg-orgel en een opvouwbaar klavecimbel. Ook claimt Frankrijk dat hij de uitvinder is van de pianoforte. Hij heeft inderdaad een patent voor het hamermechanisme op zijn naam. Algemeen wordt echter aangenomen dat de eerste pianoforte omstreeks 1700 gebouwd is door Bartelomeo Cristofori, aan het hof van de Medici in Florence. Jean Marius is dus voor de pianoforte, wat Laurens Janszoon Coster in Nederland was voor de boekdrukkunst. Ook Engeland en Duitsland kennen zo hun eigen uitvinders van de pianoforte.

Terug naar de paraplu. In 1759, presenteerde een Franse wetenschapper, genaamd Navarre, een nieuw ontwerp aan de Franse Academie van Wetenschappen, voor een paraplu in combinatie met een wandelstok. Door op een kleine knop aan de zijkant van de stok te drukken, opende de paraplu. Ook hiervoor werd patent aangevraagd en verleend, opnieuw voor 5 jaar. Er werd in de jaren daarna nog heel wat vindingrijkheid op de paraplu losgelaten. Tientallen patenten werden gehonoreerd. Zo was er een paraplu met een gootje rondom en een afvoerpijpje. En wat te denken van een combinatie van paraplu met verrekijker?

Een uitgebreide beschrijving van de kunst van het maken van parasols en paraplu’s is te vinden in een encyclopedie uit 1788. Uit die beschrijving blijkt dat het mechanische deel van de paraplu bestond uit onderdelen van koper en messing. Dat verklaart de relatie tussen koperslagers en paraplumakers, die verderop aan de orde komt.

In 1808 waren er in Parijs zeven winkels die paraplu’s maakten en verkochten. Vijf jaar later waren het er al 42. (Bron: Almanach des adresses des tous les commerçans)

Ook zo rond de eeuw­wisseling moet een verschuiving hebben plaats gevonden van de paraplu­productie van Parijs naar het departement Cantal. Als motief voor deze verschuiving komen de lagere productie­kosten boven­drijven. Zeker is dat in die streek veel koper­slagers actief waren. Vermoedelijk leverden ze in de 18de eeuw al materiaal aan voor de Parijse paraplumakers en werkten ze daar al in dat vak.

In het begin van de 19de eeuw zwierven er door heel Frankrijk en ook al daarbuiten “marchands de parapluies”, die uit de Cantal afkomstig zijn. De bewijzen daarvoor zijn eenvoudig op internet te vinden: talloze 19de eeuwse prenten getuigen ervan.

Tegenwoordig heet Aurillac het centrum van de paraplu-industrie te zijn. Dat geldt wellicht voor Frankrijk, maar de industriële productie ontstond hier pas in 1844, niet eerder dan in de Nederlanden. Maar al in 1825 vermeldt een Frans geografiehandboek het rondreizen van duizenden handelaren uit de Auvergne (arrondissementen van Mauriac, Murat en Aurillac), waaronder veel parapluhandelaren.

 

De Cantal is het zuidelijk deel van het oude Hertogdom Auvergne. De inwoners worden daarom ook vaak als Auvergnats aangeduid en dat geldt dus ook voor de ambulante handelaren uit die streek. Overigens houdt de werkelijk zich niet altijd aan bestuurlijke grenzen: een deel van de rondtrekkende koperslagers en parapluhandelaren komt uit het direct ten westen van de Cantal gelegen Corrèze, uit dorpen in de buurt van de Dordogne. Gemakshalve worden ook zij wel eens aangeduid als Auvergnats, ook al is dat formeel niet helemaal correct.

Koperslagers en ketellappers

De sleutel tot de oorsprong van de paraplufabricage in de Corrèze en Cantal lijkt in elk geval te vinden in de daar al lang aanwezige expertise van de koperslagers (chaudronniers). In een Frans geschiedenisboek (Histoire des Français des divers états aux cinq derniers siècles , Volume 2, Amans-Alexis Monteil, Parijs, 1848) over de 14de eeuw wordt melding gemaakt van koperslagers uit de Auvergne, die al sinds de Oudheid, dit vak beoefenen, even goed als hun collega’s uit Dinant.

Er is in die streek een lange traditie van emigratie, al sinds het Romeinse Rijk. In 1632 duiken deze Fransen onder meer op in Aragon (Spanje) waar ze verlaten kopermijnen weer gingen exploiteren. Aragon had verschillende troeven: kopermijnen, waterkracht en brandhout, allemaal nodig voor een levenskrachtige industrie.

Het oude ambacht leeft nog voort in Marokko

De Franse arbeiders bestreken de hele productieketen: het produceren van plakken koper, het maken van koperen producten en de ambulante handel, gecombineerd met het repareren van koperen artikelen. Naast koperbewerking vond ook productie van ijzerdraad plaats. Elk van deze processen kende zijn eigen specialisten.

De Franse koperslagers in Spanje hielden goede relaties met het thuisland en trokken vermoedelijk heen en weer. Na 6 maanden was het tijd om weer afgewisseld te worden door een familielid of dorpsgenoot. Uiteraard trouwden ze gewoon met meisjes uit hun eigen dorp. Ook in Spanje vormden ze hechte gemeenschappen, waarbij familiebanden een belangrijke rol speelden. In 1765 werkten er 97 Auvergnats in Aragon, waarvan slechts drie huwelijken met een Spaanse bekend zijn.

Het einde van de Franse betrokkenheid bij de koperindustrie in Aragon kwam met de Spaanse onafhankelijkheidsoorlog (1808 – 1814). De Fransen moesten vertrekken en de koperindustrie kwijnde weg.

Gelet op de expertise van de Auvergnats, is het waarschijnlijk dat zij in de 18de eeuw belangrijke toeleveranciers en vermoedelijk ook werklieden waren voor de paraplufabrikanten in Parijs. Wellicht is de opheffing van het gildestelsel een impuls geweest voor de parapluproductie in de Auvergne.

Een uitgebreide beschrijving van de ambachtelijke productie van parasols en paraplu’s is te vinden in een Encyclopedie gewijd aan “Arts et métiers mechaniques” uit 1788.

Aanvankelijk lijkt Parijs, de woonplaats van Jean Marius, het centrum van de parapluproductie te zijn, maar ook elder worden paraplu’s gemaakt. Dat blijkt bijv. uit de Almanak van Bordeaux die in 1782 ook een 15-tal parasolfabrikanten vermeldt. In het begin van de 19de eeuw was de productie van paraplu’s verspreid over Frankrijk, zoals blijkt uit de Dictionnaire du Commerce uit 1819:

 

De Brusselse Dictionnaire du Commerce van 1840 vermeldt wel Parijs en Lyon als belangrijkste centra van parapluproductie.

Veel exemplaren worden al geëxporteerd naar de Verenigde Staten en Zuid-Amerika. In de tweede helft van de 19de eeuw lijkt Aurillac de centrumfunctie voor Franse paraplu­productie te hebben overgenomen, omdat de productie daar aanzienlijk goedkoper was. Maar ook in Tilburg floreerde de paraplufabricage in die tijd, on de bezielende leiding van de Gimbrères.

Ook in het Nederlandse “Nieuw en volkomen woordenboek van konsten en weetenschappen” uit 1777 wordt de paraplu gedefinieerd:

 

 

 

 

Het in Duitsland gangbare woord Regenschirm kent als regenscherm ook wel zijn Nederlandse analoog, maar heeft in ons land nooit brede ingang gevonden.

Het Gildestelsel

Het gildesysteem heeft in de Middeleeuwen en daarna lange tijd een heel positieve invloed gehad op de kwaliteit van het werk in allerlei ambachten. Het vakmanschap werd binnen een gilde gewaarborgd en de concurrentie binnen de perken gehouden. Het gilde functioneerde eveneens als een sociaalopvangsysteem bij arbeidsongeschiktheid en oude dag.

De gilden voor metaalbewerkers werden vaak naar de beschermheilige St Eloy (Eligius, of soortgelijke namen) genoemd en omvatten beroepen als goud- en zilversmeden, muntmeesters, hoefsmeden, slotenmakers, smeden en koperslagers. In de 14de eeuw zijn statuten opgesteld voor de beroeps­groep, die ook nog in de 18de eeuw voort­leefden (Statuts et reglemens des maistres et marchands chaudronniers, batteurs & dinandiers de la ville et fauxbourgs de Paris, Date de l’édition originale : 1735). Vermoedelijk is dat de formele grondslag onder dit gilde.

Aan het einde van de 18de eeuw klonk er steeds meer kritiek op de gildes. Ze waren een beperking van de vrije handel, technologische vernieuwing en zakelijke ontwikkeling. Jean Jacques Rousseau was een van de felle critici. Bij de Franse Revolutie werd het gildesysteem gezien als een overblijfsel van het feodalisme en in 1791 werd het dan ook afgeschaft. De opheffing van het gildesysteem na de Franse Revolutie leidde tot snelle industrialisatie en economische vernieuwing in het begin van de negentiende eeuw.

De verbinding tussen paraplumakers en koperslagers is onmiskenbaar, maar onduidelijk is of dit betekent dat het maken van paraplu’s daar eveneens binnenviel. Maar in elk geval valt op dat de spectaculaire ontwikkeling van de paraplufabricage na 1800 in dit “liberaliserende” klimaat plaats vond.

De popularisatie van de paraplu

Vanaf de ontwikkeling van de moderne paraplu door Jean Marius, was het onmiskenbaar een mode­accessoire. In het begin werd deze paraplu uitsluitend gebruikt door societydames. Herders in de Pyreneeën gebruikten ook wel parasols/paraplu’s, maar dat was toch een heel ander product.

In Engeland werd het gebruik onder mannen gepopulariseerd door Jonas Hanway (1712 – 1786). De Engelse paraplu’s lijken in de 18de eeuw echter nog aanzienlijk zwaarder geweest te zijn dan de Franse. In de 19de eeuwse handel in Nederland werden Engelse en Franse paraplu’s onderscheiden, vermoedelijk omdat ze wat verschillend van uitvoering waren.

Paraplu’s werden ook in Zuid-Amerika gebruikt, vermoedelijk Europese exportproducten. In de roman Robinson Crusoe, verschenen in 1719, maakt Robinson zijn eigen paraplu, geïnspireerd door Braziliaanse voorbeelden. De populariteit van dit boek leidde ertoe dat een paraplu lange tijd ook aangeduid kon worden als “een robinson”, tot in de 19de eeuw.

Robinson bedekte zijn paraplu met dierenhuiden. Voor de zekerheid vermeldde het Maison de Robinson uit Lyon in 1837 dat hun paraplu’s bedekt werden met pure zijde.

De eerste commerciële uiting van beschikbaarheid van paraplu’s in Nederland treffen we aan in de Amsterdamse Courant van 2 mei 1780 waar de drie broers Lestrade uit “Lion” hun paraplu’s aanbieden. In 1790 blijken ze zich er gevestigd te hebben: hun fabriek staat in de Warmoesstraat “onder de eerste engelsche Bybelt t’Amsterdam”. Ze blijven niet de enige: op 14 april 1781 kondigt Jean Batiste Cadenne , eveneens in de Amsterdamse courant, aan dat hij niet alleen in Namursche messen handelt, maar ook parasols en parapluies verkoopt, verruilt en herstelt. Jean Batiste woont in de Kalverstraat in Amsterdam, maar is ook ambulante handelaar, want we treffen hem ook in Haarlem, Leeuwarden en Groningen aan. Hij is algauw niet de enige: in 1785 vinden we ook Josephus Vigier, uit “Lion” die zijn paraplu’s te koop aan biedt en ze natuurlijk ook ruilt, herstelt enz. De parapluiewinkel van Leendert Leenders, één van de weinige parapluhandelaren met een Nederlandse naam, in de Kalverstraat (“bij de St Jorissteeg”) ging in 1804 failliet.

Dat verschillende paraplumakers vermeldden dat ze uit Lyon kwamen, is waarschijnlijk terug te voeren op de rol van Lyon als centrum van productie en handel in zijde van de 16de tot de 20ste eeuw. De 17e en 18e eeuw waren een periode van voorspoed voor de zijde-industrie in Lyon: er waren zo’n 300 à 400 zijdehandelaars en 40% tot 50% van de beroepsbevolking werkte in de zijde-industrie. Door de technische vaardigheid van de wevers en het talent van de zijdeschilders was de zijde uit Lyon gewild in heel Europa.

De populariteit van de paraplu in Nederland blijkt ook uit het grote aantal vermiste paraplu’s, in het begin van de 19de eeuw. Vanaf ca. 1820 verschenen er heel wat advertenties in dagbladen om vermiste paraplu’s, of soms zelfs de eigenaar van een gevonden exemplaar, op te sporen.

De paraplu wordt ook een cultureel fenomeen. We noemden al de talloze prenten van “marchands de parapluies”.

Ook in het theater wordt de paraplu opgestoken. In 1835 wordt het toneelstuk “De Parapluie en de Stoommachine” opgevoerd. Een waar kassucces is echter de vaudeville “Ma femme et mon parapluie” dat vanaf 1836 minstens 15 jaar lang door verschillende gezelschappen wordt opgevoerd in theaters in het hele land. Aanvankelijk in het Frans, later ook vertaald in het Nederlands.

De liedcultuur blijft hier niet bij achter. Ongetwijfeld is “Le parapluie“ van George Brassens het mooiste lied waarin de paraplu een hoofdrol vervult. Maar we kennen natuurlijk ook het oer-Nederlandse “Onder moeders paraplu”, van Anna Sutorius, dat stamt uit 1910. Bij dit lied moet bedacht worden dat Anna een echte Gimbrère-paraplu voor ogen moet hebben gehad: zij was de dochter van een Tilburgse wolhandelaar!

 

Het amoureuze lied “Marchand de la Parapluie” is nog 100 jaar ouder. Vermoedelijk is de Nederlandse tekst ook een vertaling van een Frans origineel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Betrekkelijk recent is natuurlijk de film “Les parapluies de Cherbourg” uit 1964, waarin de dochter van een parapluhandelaar de hoofdrol speelt.

Paraplu’s in Antwerpen

De eerste vermeldingen die we van een parapluhandelaar in Antwerpen gevonden hebben, betreffen Guillaume Geneste, uit Pléaux (Cantal), die met een tussenstop in Brussel rond 1806 in Antwerpen aankomt. Dat hij de nestor is van de parapluhandel en -fabricage in Antwerpen blijkt ook uit het bevolkingsregister van Antwerpen. Op zijn adres aan de Schoenmarkt (wijk3/737) vanaf 1816 tot 1824 worden achtereenvolgens ook de paraplumakers Rondil, Veyrieres, Grèze, Mond en Tissandier ingeschreven. Al deze paraplumakers zijn afkomstig uit Frankrijk. Kennelijk vormen ze een hecht bolwerk.

In 1828 staan deze paraplumakers op verschillende adressen ingeschreven. Het is niet duidelijk of ze nog gezamenlijk een onderneming dreven of ieder apart.

In de familie Gimbrère gaat het verhaal dat Jean François, die van Antwerpen naar Nederland verhuisde, een Frans paspoort zou hebben en dat hij daarom met Franse patenten paraplu’s mocht maken. Wellicht had hij een Frans paspoort, maar voor het maken van paraplu’s zal dat niet doorslaggevend zijn geweest. Van de paraplumakers uit zijn jeugd in Antwerpen is weliswaar de meerderheid vermoedelijk Frans, maar twee van de acht zijn onmiskenbaar Vlaams. Voor zover er patentrechten bestonden die nog niet verlopen waren, golden die ook voor Fransen. Maar alle essentiële ontwikkelingen van de paraplu waren rond 1800 wel vrij van rechten.

Wel is het opvallend dat vader Jean Gimbrere, als slotenmaker, een beroep uitoefende dat verwant is aan dat van de koperslagers en dus van de paraplumakers. Het is daarom goed te begrijpen dat er contacten bestonden tussen Jean en de Franse paraplumakers in Antwerpen, Guillaume Geneste en zijn collega’s, en dat zoon Jean François bij een van hen het parapluvak leerde. Hij zal op een leeftijd van 12 tot 14 jaar als leerjongen zijn begonnen en vermoedelijk rond zijn 20ste jaar de kneepjes van het vak wel hebben gekend.

De economische situatie in Antwerpen was na de scheiding tussen België en Nederland, in 1830, niet florissant. Dat zal Jean François zeker hebben gestimuleerd om, net als zijn vader 30 jaar eerder, verder om zich heen te kijken. Bekend is dat hij na 1830 al met enige regelmaat van Antwerpen naar Tilburg is gereisd.

Hoe is het contact van Jean François met Tilburg ontstaan? Directe informatie daarover ontbreekt nog, maar er zijn indirecte aanwijzingen. Direct na het huwelijk van Jean François met Adriana Rosiers, dat op 23 oktober 1839 nog in Antwerpen plaats vond, woonde het jonge paar enige tijd bij het welgestelde echtpaar Franciscus Suijs/Adriana Bronsgeest in Tilburg. Hoe kenden Jean François en François Suijs (later 20 jaar lang burgemeester van Tilburg!) elkaar? Onze zoektocht naar een verbinding leverde het volgende op:

In Antwerpen woonde in het begin van de 19de eeuw de uit ‘s-Hertogenbosch afkomstige Gerardus Martinus Suijs met zijn gezin. Hij was lakenverver (Bron: L’indicateur commercial de la ville d’Anvers, 1828).  Ongetwijfeld onder­hield hij contacten met zijn neef Jean François Suijs, stoffenhandelaar uit Tilburg. Jean François Suijs leverde natuurlijk alle courante stoffen, en zeker ook zijde. Hij betrok deze zijde op zijn beurt weer van zijn zwager Thomas van Dooren, een heel beroemde zijdehandelaar (tevens bankier) uit Tilburg. Jean François Suijs was via zijn vrouw (Maria E. Dams, ook telg van een zeer gegoede Tilburgse familie) verwant aan de Van Doorens. Thomas was zo welgesteld dat hij tijdens de Franse Revolutie het aartsbisschoppelijk paleis van Parijs met inboedel en al kon kopen. De aartsbisschop zelf was door de Franse revolutionairen het pand uitgezet. De families Van Dooren, Dams en Suijs waren de echte notabelen van Tilburg: zij leverden tussen 1809 en 1869 samen drie burgemeesters van de stad.

Jean François Suijs leverde deze zijde natuurlijk aan zijn zwager, maar ook, direct of indirect, aan de paraplufabrikanten. Onze Jean François Gimbrere moet deze textielhandelaar en ook zijn zoon François Suijs daarom regelmatig in Antwerpen ontmoet hebben en zij hebben hem ongetwijfeld geïnformeerd over het gunstige economische klimaat dat toen in Tilburg heerste.

In zijn oriëntatie op een mogelijke toekomst moet hij in Tilburg op zoek gegaan zijn naar goede naaisters, die hij vond in moeder en dochter Rosiers. In 1838 woont hij volgens het Bevolkingsregister bij de weduwe Johanna Rosiers-van Hest. Of het ontstaan van de liefde tussen Jean François en dochter Adriana hieraan voorafging of erop volgde, moeten we gissen

Ten tijde van het huwelijk tussen Jean François Gimbrere en Adriana Rosiers woonde Jean François al in Tilburg en Adriana juist in Antwerpen. Het is aannemelijk dat zij daar een leerperiode heeft doorgebracht om alle naaitechnieken voor het maken van paraplu’s onder de knie te krijgen. Een verstandshuwelijk kunnen we de verbinding tussen Adriana en Jean François niet noemen, maar een verstandig huwelijk was het wel. Schoonmoeder Johanna Rosiers-van Hest was niet alleen naaister, maar ook bezitster van een flink pand (Wijk Veldhoven, no. 989) waarvan het middelste deel als paraplu-atelier kon worden gebruikt.

Jean François Gimbrere werd een van de vele Franse paraplumakers in Nederland Opvallend is dat de contacten tussen deze Franse paraplumakers tamelijk intensief zijn. In Nederland zien we een netwerk van contacten van oorspronkelijk Franse paraplumakers uit de Cantal en Corrèze, waarbij ook de familie Gimbrere aanhaakt: zoals de families Vigier, Lestrade en Mas. Ze trouwen onderling en zijn getuige bij elkaars huwelijken en doopplechtigheden.

Hoe het de Gimbrères met hun paraplu’s verder verging, vind je op deze site onder de kop Tilburg en Verder