In het zuiden van Frankrijk, net ten noorden van de Pyreneeën, ligt het departement Gers. De hoofdstad Auch (22.000 inwoners) ligt centraal in dit dunbevolkte departement. “De landschappen van de Gers lijken op het eerste gezicht zowel warrig als vrij homogeen. Van oost naar west, van noord naar zuid wisselen heuvels, dalen, hellingen en valleien elkaar af, met een bescheiden reliëf tussen 80 en 300 meter boven zeeniveau en zelden niveauverschillen van meer dan 100 meter. Er is geen grote landschapsonderbreking, geen abrupte verandering.” (CAUE, Arbre et Paysage 32 – Inventaire des Paysages du Gers, maart 2002).

De bastide Jegun vanuit de lucht.

Bijna 20 km ten noordwesten van Auch vinden we het plaatsje  Jegun . We zijn dan in het hart van Gimbrèreland aangekomen. De oudste vermeldingen van de Gimbrères zijn allemaal in een straal van 10 km rond Jegun te vinden. Jegun is waarschijnlijk aan het einde van de 13e eeuw gesticht. Het is een typische bastide, een versterkt stadje met een karakteristiek recht stratenplan. Eerder al was er een nederzetting rond de Sainte-Candidekerk net buiten de bastide. Die nederzetting werd al in de 11e eeuw versterkt.

Drie kilometer westelijker vinden we een lieu-dit met een vertrouwde naam: la Gimbrère, op een klein natuurlijk plateau op de oosthelling van de heuvelrug tussen Jegun en buurgemeente Bonas. We zijn hier aangekomen bij de oorsprong van de Gimbrères.

Reconstructie van een Romeinse villa

La Gimbrère en haar omgeving hebben een geschiedenis die ver teruggaat. Dit  gebied, ten noordwesten van Auch, is heel vruchtbaar. Er werd al op grote schaal landbouw bedreven voordat de Romeinen er in de 1e eeuw voor onze jaartelling binnentrokken. Ook in de Romeinse tijd bloeide de landbouw; er werd veel tarwe verbouwd. Er kwamen landbouw­domei­nen met luxe villa’s als centrum. Deze villacultuur bleef tot ver in de 6e eeuw van onze jaartelling in stand. Er zijn dan ook resten van vele Gallo-Romeinse villa’s terug­gevon­den

Markant is ook dat het christendom zich er vroeg stevig vestigde. Vanaf de 6e eeuw werden er op het platteland vele kleine kerkjes gebouwd. Er werd een dichtheid bereikt van ongeveer 1 kerk per 2,5 vierkante km. Er was sterke koppeling tussen Gallo-romeinse villa’s of hun begraafplaatsen (necropolen) en kerken. Ook toen de economie eind 7e eeuw terugliep bleef er veel landbouw in stand. Ook de plaatselijke agrarische  gemeenschappen overleefden en de kerkjes bleven in gebruik. Wel raakten de villa’s in onbruik of ze werden opgedeeld in kleinere behuizingen.

Ook La Gimbrère – dat in de laat-Romeinse tijd nog niet zo heette- kende zo’n plaatselijke gemeenschap. Er zijn aanwijzingen dat op of bij la Gimbrère een Romeinse villa lag, eigendom van ene Vitalis. Misschien groeiden de jeneverbesbomen later tussen de ruïnes van de villa, want waar geploegd kon worden werd tarwe verbouwd.

. De grond rond La Gimbrère was zo geschikt voor tarwe, dat dit ook verbouwd werd in de 7e tot de 12e eeuw, toen andere graansoorten (zoals spelt, gerst en rogge) in de wijde omgeving de boven­toon voerden. Een deel van de grond bij La Gimbrère werd daarom zelfs Blads de la Gimbrere genoemd. Blads zijn velden die rijk aan tarwe zijn. Deze naam leefde nog voort in de tijd dat tarwe in de wijde omtrek weer het meest verbouwde graan was.

Bij la Gimbrère lag een Gallo-Romeins of vroegmiddeleeuws grafveld. Daar stond waarschijnlijk het kerkje Saint-Sernin de la Gimbrère, dat in documenten genoemd wordt. Saint Sernin, oftewel Sint Saturninus, was bisschop in Toulouse in de 3e eeuw. Hij stierf daar een gewelddadige dood vanwege zijn geloof en werd als martelaar vereerd. Tussen de 4e en de 10e eeuw werden er kerken aan hem gewijd. Saint-Sernin de la Gimbrère hoort waarschijnlijk bij de oudere aan hem gewijde kerken. Het was het kerkje van een kleine (familie-)parochie, die voor het eerst genoemd wordt in een document uit de eerste helft van de 14e eeuw. De parochie kende toen vijf zelfstandige huishoudens. Huishoudens bestonden toen gemiddeld uit 5 personen, met een pater familias als middelpunt. Eventuele bedienden maakten deel uit van het huishouden.

De vroege gemeenschap la Gimbrère

Eind 13e eeuw werd de bastide Jegun gesticht, met toekenning van rechten en vrijheden voor haar inwoners. In dezelfde periode werd ook de castelnau Bonas gesticht, eveneens met toekenning van rechten en vrijheden (een castelnau is een ommuurd dorp op een heuvel, meestal aan de voet van een kasteel). Jegun en Bonas zijn directe buren van la Gimbrère: hun stichting heeft door de toegekende rechten een wegzuigende werking gehad op haar gemeenschap. In elk geval is in 1293 al een Gimbrère, Sansaverius de Gimbrera, bewoner en zelfs consul (wethouder) van Bonas.

Een andere Gimbrère, Raimundus de Lagimbreda, was toen pastoor van Bonas. Deze Raimundus was waarschijnlijk een directe verwant van Bertrand de Lagimbrera, ridder en dus waarschijnlijk de eigenaar van la Gimbrère (het lijkt er sterk op dat in de Middeleeuwen Gimbrera en Gimbreda door elkaar gebruikt werden voor dezelfde plek en dezelfde familie). Raimundus was waarschijnlijk ook pastoor van de St-Sernin. In elk geval diende volgens een document uit begin 15e eeuw één pastoor de parochies van Bonas en la Gimbrère.

De Zwarte Pest van 1347-1352 zal ook in la Gimbrère huisgehouden hebben, en de toch al kleine parochie zal verder een kwijnend bestaan geleden hebben. In een document over kerkbelastingen uit 1544 blijkt dat de parochie niet meer bestaat. De weinige overgebleven parochianen kwamen terecht bij de buur­pa­ro­chies. Wel bleef het territorium van de parochie als apart heffingsgebied voor een kerkbelasting (de tienden) tot de Franse Revolutie intact. St-Sernin de la Gimbrère staat nog vermeld in de opgave van de in­kom­sten van het aartsbisdom Auch van 1790. Wanneer het kerkje zelf verdwenen is, is niet bekend.

Detail uit een pachtcontract uit 1553 voor de kerktienden van la Gimbrère: dixme de la Gimbrere

De plaatselijke Gimbrère-gemeenschap is dus in de loop der tijd uitgedund. In 1405 woonden er twee Gimbrères met hun gezinnen in Bonas, Guilhermus de Lagimbreda en Bertrandus de Lagimbreda. Ze worden in een document genoemd als vertegenwoordigers van de inwoners. Een andere Gimbrère, Bernardus de la Gimbrela (kanunnik in de stad Tartas), was getuige bij het opstellen van dat document. Deze Bernardus zal weer een directe verwant geweest zijn van de eigenaar van la Gimbrère. Uit het belastingboek van Auch van 1439 blijkt dat Arnaut de Lagimbrera daar een huis en twee wijngaarden bezat. Hij kan nog eigenaar van la Gimbrère zijn geweest.

Vanaf 1600 is Ayguetinte het nieuwe kerngebied voor de Gimbrères. Van daaruit verspreidde de familie zich eerst in Frankrijk en vervolgens via België en Nederland en verder. Meer hierover vindt u onder Woonplaatsen.  De directe afstammingslijn vindt u onder De Voorouders.