La Gimbrère was een seigneurie, een heerlijkheid, dat wil zeggen dat het een adellijk goed was, met heerlijke rechten. De bijbehorende adellijke titel was seigneur, heer. Ridder, chevalier of in het Latijn miles, werd een seigneur alleen na daadwerkelijk deelgenomen te hebben aan militaire acties. Bij een vergadering van de adel van het graafschap Fezensac in Justian in 1286, was Bertrand de Lagimbrera, miles, aanwezig. Daar werd gesproken over de rechten en vrijheden die de graaf zou toekennen aan zijn leenmannen. Een paar jaar later werden die rechten en vrijheden inderdaad vastgelegd. Daarin werd o.a. beschreven welke rechten de adel inzake rechtspraak had. Daarbij werd onderscheid gemaakt naar soort strafbaar feit, hoogte van de straf en aanstelling van rechters en baljuws.

Een mottekasteel met voorhof

De graaf en zijn vier baronnen hadden het hoogste recht, la haute justice (in Nederland bekend als hoge justitie of halsjustitie). Daarna volgde de categorie adel die over la moyenne justice (middelbare justitie) beschikten: de adel die eigenaar was van een castrum antiquum et populatum seu castellaria nobilia et antiqua, oftewel van een “stokoude” versterkte en bevolkte plaats of van een “stokoud” adellijk kasteeldomein. De rest van de adel beschikte over een zeer beperkte bevoegdheid inzake rechtspraak en straffen: la basse justice. Uit een rechtszaak van 1544 blijkt dat la Gimbrère beschikte over la moyenne justice.  Dit en het feit dat Bertrand de Lagimbrera, miles, in 1286  bij het overleg in Justian aanwezig was, duidt erop dat la Gimbrère voorzien was van een ridderlijke versterking die toen al als stokoud beschouwd werd. Gezien de stijl van versterken van de 10e -12e eeuw zal dit in eerste instantie een mottekasteel geweest zijn.

Een leenman had ook plichten tegenover zijn leenheer, met name de plicht tot militaire bijstand. In 1639 is het wegblijven van de heer van la Gimbrère (toen Louis de Troncens, seigneur de Blousson et de Lagimbrere) bij een wapenschouw van het graafschap Fezensac vastgelegd. Hij kon zijn dienst kennelijk ook niet afkopen, wat het einde van zijn bezit van de heerlijkheid zal hebben betekend. In 1656 verschijnt er een Jacques de Philip seigneur de Lagimbrere in een notarisakte. In 1741 overleed de laatste heer van la Gimbrère: Pierre de Philip de Lantian, écuyer, seigneur de la Gimbrère. De burgerfamilie Bedout uit Jegun had het landgoed gekocht en ging zich weliswaar (Bedout) Lagimbrere noemen, maar de heerlijkheid was feitelijk ten einde gekomen.

De salle noble de la Gimbrère
De salle noble van Lesquère (Lectoure, Gers); Links de aanpassingen uit later eeuwen.

Was er een kasteel van Gimbrère? In zekere zin. Voor de aanwezigheid van een mottekasteel zijn er aanwijzingen, al zal het een bescheiden versie zijn geweest. Er is documentair en bouwkundig bewijs voor het bestaan van een opvolger, een soort woontoren. In de Gers komt een type woontoren, de salle noble, veel voor. Net zoals in Nederland zijn deze woontorens gebouwd in de periode 1250-1350, hebben ze een beperkt defensief karakter en werden ze vooral gebouwd als statussymbool voor de lage adel. Er zijn nu nog maar enkele salles nobles enigszins in oorspronkelijke vorm herkenbaar. De meeste zijn op-, om- en aangebouwd tot een groter château of een landhuis.

In de rechterlijke uitspraak van 1544 wordt la Gimbrère een salle noble genoemd. Bij een recente renovatie van la Gimbrère is een muur met een voor het eind van de 13e eeuw typerend verband van stenen en voegwerk zichtbaar geworden. Nu is het een binnenmuur, maar het was een van de buitenmuren. Wat op het eerste gezicht een homogeen gebouwd landhuis lijkt, is in feite een goed voorbeeld van een salle noble, die door alle op-, om- en aanbouw onherkenbaar is geworden. La Gimbrère heeft verschillende fases van bouw, gedeeltelijke verwoesting, herstel en aanbouw gekend.

 

Foto Felix, 2016; Bij renovatie kwam deze laat-13e-eeuwse muur op de eerste verdieping van de oorspronkelijke salle noble van la Gimbrère vrij. Karakteristiek zijn de keurig gehouwen vierkante stenen met strakke voeg van de onderste helft, de hogere opbouw is van later datum.