De Gasconse samenleving in de 17e en 18e eeuw

Onze zoektocht naar de Gimbrères in het hartland was in eerste instantie gebaseerd op kerkregisters. De daarin opgenomen doop-, trouw- en begrafenisaktes geven inzicht in familierelaties en afstamming. Uit de kerkregisters van de 17e en 18e eeuw van Gimbrèreland bleek al snel dat Ayguetinte een centrale rol speelde (zie Woonplaatsen). Daarbij liepen we er tegenaan, dat juist voor Ayguetinte het oudst bewaarde kerkregister pas uit 1760 stamt. Daarom zijn we ons ook gaan verdiepen in notarisaktes. Huwelijkscontracten en testamenten bieden immers ook inzicht in familierelaties. Voor Ayguetinte zijn de notarisakten grotendeels bewaard gebleven vanaf 1629. Uit deze akten hebben we inderdaad de rechtstreekse afstamming van Jean Gimbrere, welvarende herbergier in Ayguetinte, naar Jean François, paraplufabrikant in Tilburg, kunnen herleiden. De akten hebben ons ook wat inkijkjes gegeven in de samenleving waarin de Gimbrères in de 17e en 18e eeuw leefden.

Opvallend is dat er heel veel contractueel werd vastgelegd bij de notaris. En dat gebeurde niet alleen door de welvarende bovenlaag van een lokale gemeenschap. Het is opvallend dat een klein dorp als Ayguetinte een notaris had (in de 17e eeuw zelfs twee). Naast de huwelijkscontracten en testamen­ten zijn we ook verkopen van kleine of grote stukken land, pachtcontracten voor boerderijen of voor vee, grote en kleine leningen en oplossingen van conflicten met bemiddeling door vrienden en bekenden tegengekomen. De meeste mensen konden niet lezen en schrijven. Ook daarom waren er bij het opstellen van de notarisakten getuigen aanwezig, meestal mannen die wel konden lezen en schrijven. Gimbrères waren vaak getuigen. Voor kleine verkoopcontracten tussen boeren, maar ook voor grote leningen van de ene edelman bij de andere. Ze hadden als maitre chirurgien kennelijk een ver­trou­wens­functie voor alle rangen en standen in het dorp. De maitre chirurgien was wat dat betreft te vergelijken met de huisarts: toegankelijk voor iedereen maar samen met de pastoor en de notaris wel een dorpsnotabele

Pactes de Mariage

De huwelijkscontracten laten zien hoe er tegen het huwelijk werd aangekeken: een zakelijke overeenkomst. De toekomstige echtgenote kreeg van haar ouders een bruidsschat mee. Daarmee werd de financiële positie van het aanstaande gezin versterkt, zodat de echtgenoot zijn echtgenote en toekomstige kinderen ook zou kunnen voorzien van onderdak, voedsel en kleding. En wel op het niveau dat paste bij de stand van de families waar de man en vrouw uit afkomstig waren. De samenleving was zichtbaar een standenmaatschappij. Vaak kreeg de echtgenoot een schenking van zijn ouders. In sommige huwelijkscontracten werd geregeld dat de vrouw bij overlijden van haar man haar bruidsschat (met rente!) terug zou krijgen, om zelf te kunnen voorzien in haar onderhoud. De vrouw kreeg bij contract ook een uitzet mee.

Een voorbeeld: op 7 februari 1687 gaat Antoine Gimbrere een huwelijkscontract aan met Isabeau Carrere. Hij is maitre chirurgien, zoon van Blaise, ook maitre chirurgien. Isabeau is dochter van Jean Pierre Carrere, een jurist.

Isabeau ontvangt “pour le support et charge” van het aanstaande echtpaar 600 pond van haar ouders. Daarnaast ontvangt zij een uitzet: “een bed met voldoende gevulde kussens en dekbed, een doorgestikte beddensprei en een matras omtrokken met groene tijk, een garnituur van gordijnen en beddenkap van grijze serge (een wollen stof) met gele franje, plus twaalf linnen lakens, plus twee dozijn linnen handdoeken en twee dozijn theedoeken, vier linnen tafelkleden met een lengte van 8 pans (184 cm), plus twee complete outfits (habits) van wollen jurken met blauwe fijn-wollen onderjurken, schoenen en veterschoenen en een notenhouten kist met slot en sleutel”.   

De uitzet van Isabeau Carrere voor haar huwelijk met Antoine Gimbrere in 1687

Blaise schenkt in dit contract zijn zoon de helft van zijn bezittingen. Antoine krijgt daarmee de beschikking over “het oude huis”, 6,3 hectare akkerland, een halve hectare wijngaard en een kwart hectare bos. De andere helft gaat naar Antoines oudere (tweeling?) broer Bernard, zoals vastgelegd in diens huwelijkscontract dat enkele dagen eerder is afgesloten.

Bernard had een stel indrukwekkende getuigen: Jean d’Auxion heer (seigneur) van Ayguetinte, Jean Margastaud heer (sieur) van Lahourcade en maitre Bernard Dubarry, rechter en luitenant van de koning in de stad St-Puy, naast zijn vader Blaise en zijn broer Antoine. Antoine moet het als iets jongere zoon doen met Pierre Carrere, de broer van zijn bruid (getrouwd met Claude Gimbrere, een achternicht), Jean Labarthe, zoon van de notaris, Pierre Mothe, heer (sieur) van la Hitte en rechter-plaatsvervanger in Verduzan, zijn vader Blaise en zijn broer Bernard. In de vermelding van de getuigen blijkt ook maar weer de standenmaatschappij. Jean d’Auxion is van adel en daarom seigneur van zijn heerlijkheid. De andere genoemde heren zijn wel eigenaar van een heerlijkheid, maar kennelijk niet van adel. Zij worden dan ook sieur van hun heerlijkheid genoemd in plaats van seigneur. Verschil moet er zijn …


De handtekeningen onder het huwelijkscontract van Antoine uit 1687: rechts bovenaan vader Blaise, links bruidegom Antoine en daarnaast broer Bernard.

Testamenten

Ook testamenten geven een inkijkje in het leven in het Gasconse verleden. In 1675 lag Guilhaume Gimbrere ziek te bed in zijn huis in la Claverie. De notaris was naar hem toe gekomen om zijn testament op te maken. Hij was de oudste zoon van wijlen Blaise, een praticien (juridisch adviseur) die geregeld tekende als getuige bij notarisakten. De eerste handtekening van een Gimbrère die we gevonden hebben is van deze Blaise, uit 1620. Zoon Guilhaume was niet gevolgd in de voetsporen van zijn vader. Hij staat in zijn testament vermeld als homme d’armes en Armagnac, wat de indruk wekt dat hij een militair verleden had. Het Rooms-katholieke geloof had een centrale rol in het leven. Het testament opent met het maken van het kruisteken door Guilhaume; hij sprak daarbij de woorden “in nomine patrii et filii et spiritui sancti, amen”. Hij vertrouwde zijn ziel toe aan de almachtige Vader, in de hoop dat God hem vergeving en genade zou schenken voor zijn zonden, op voorspraak van de glorieuze Maagd Maria. Vervolgens gaf Guilhaume aan dat hij begraven wilde worden in de tombe van zijn voorouders in de kerk van la Claverie. Dat zijn vader in la Claverie woonde wisten we, maar kennelijk was die niet de eerste Gimbrère die daar begraven was. Guilhaume laat 12 pond na aan de kerk, te distribueren door zijn broer Jean Agnet, voor het vieren van requiemmissen vanaf zijn begrafenis tot het eind van het jaar. Wijlen Georgette Boubee was zijn eerste vrouw, met wie hij twee nog levende kinderen heeft: Françoise en Jeanne; nu is hij getrouwd met Anthonye Labat, maar dat huwelijk is kinderloos. Guilhaume laat 150 pond aan zijn vrouw na. Verder erkent hij dat zijn vader onvoldoende heeft nagelaten voor het rechtmatig erfdeel van zijn broer en uit erkentelijkheid voor vriendschap en bewezen diensten laat Guilhaume aan Jean Agnet twee kamers van een huis na, met zolders en duiventil. Dit past bij de manier van bouwen en wonen in die tijd: een gehucht zoals la Claverie bestond dikwijls uit één organisch gegroeid bouwblok, waarbij de bewoning en het eigendom kamersgewijs plaatsvond. Guillaume stelt dat wijlen zijn moeder Isabeau Coquron 60 pond had nagelaten en dat hijzelf ook nog wat schuldig was aan Jean Agnet, o.a. voor de belastingen voor het jaar dat die consul was. Het ontbreekt Guilhaume aan liquide middelen om Jean Agnet recht te doen. Daarom laat hij hem een stuk wijngaard met een oppervlakte van 37 are na. Guilhaume benoemt zijn dochters tot algemeen erfgenamen. Als getuigen zijn aanwezig: broer Jean Agnet, twee kooplieden, twee wolwevers, een maitre (waarschijnlijk een praticien) en een landarbeider.


Guilhaume Gimbrere slaat bij het opmaken van zijn testament in 1675 als goed gelovig Rooms-katholieke christen een kruisteken en zegt daarbij “in nomine patrii et filii et spiritui sancti, amen”

Pachtcontracten

De Gasconse samenleving was sterk agrarisch. Er waren boeren die hun eigen grond bewerkten, maar veel boeren pachtten boerderijen. Het gaat daarbij om boerderijen in bezit van de adel, maar ook van welgestelde burgers. Zo was Jean Gimbrere, herbergier van Ayguetinte, in de eerste helft van de 17de eeuw eigenaar geworden van de métairie de la Borde deu Bosc, een pachtboerderij met gronden ten noorden van Ayguetinte. De lieu-dit bestaat nog steeds. Bij een métairie betaalden de pachters door de helft van de oogst af te staan. In 1673 waren Jeans zoon Blaise (maitre chirurgien en directe voorvader van onze Jean François) en zijn schoonzus Jeanne Despenan, weduwe van Blaises halfbroer Raymond (ook maitre chirurgien), gezamenlijke eigenaars van de métairie. Dat blijkt uit een pachtcontract, waarin ze die verpachtten aan de broers Bertrand en Joseph Saint-Martin.

Een paar stieren aan de ploeg

Het contract gold voor zes jaar en zes oogsten. Naast de betaling met de helft van de oogst hadden de pachters meer verplichtingen: ze moesten wonen in de boerderij en die goed onderhouden, ze moesten fruitbomen planten in de boomgaard, heggen langs de akkers onderhouden of aanleggen, hooien en hooi optasten in hooibergen en het vee van de verpachters verzorgen. Verder moesten ze jaarlijks een koppel jonge kippen, een koppel kippen, een koppel kapoenen (gecastreerde hanen met delicaat vlees) en een koppel ganzen betalen. Dat gevogelte was een soort rituele erkenning van eigenaarschap. De verpachters stelden een paar stieren ter beschikking voor het ploegen, evenals drie zakken tarwe en drie zakken bonen, om de opstart van de exploitatie mogelijk te maken. Het laatste moesten de pachters wel weer in natura uit hun eigen deel van de oogst terugbetalen. De afmeting van het land wordt in het contract weergegeven door te melden dat het geheel in een seizoen geploegd kan worden door een paar stieren. Dit zal ongeveer 6 hectare geweest zijn.

Zakelijke conflicten en familieruzies

Waar zaken worden gedaan, ontstaan ook wel eens conflicten. Zo ook bij erfenissen. Wat dat betreft is er niet veel veranderd in de wereld. Uit de notarisregisters van Ayguetinte blijkt dat conflicten regelmatig opgelost werden door bemiddeling door familie of gemeenschappelijke vrienden. Uit die bemiddeling volgt dan een overeenkomst, een accord, die bij de notaris wordt vastgelegd. Voorafgaand aan die akte staat dan een uitgebreide beschrijving van het conflict en de overwegingen voor de overeenkomst. Een accord uit 1677 was voor ons een juweeltje: het gaf inzicht in tot dan toe raadselachtige familieverbanden en in onderlinge verhoudingen.

Het akkoord is gesloten tussen Blaise Gimbrere, maitre chirurgien,  enerzijds en zijn neefjes Jean, chirurgien, en Guilhaume anderzijds, over de erfenis van (groot)vader Jean Gimbrere (de herbergier) en diens eerste vrouw Anne Panjas (grootmoeder van Jean en Guilhaume). Uit het inleidende relaas blijkt dat (groot)vader Jean Gimbrere uit zijn eerste huwelijk met Anne Panjas twee zoons heeft gekregen: Raymond chirurgien en Bernard cordonnier (schoenmaker). Uit zijn tweede huwelijk met Jeanne Dache heeft Jean 3 zoons gekregen:

Blaise chi­rurgien (de voorvader van Jean François), Ray­mond cordonnier en Jean chirurgien. De oudste zoon Raymond heeft uit zijn huwelijk met Jeanne Des­penan vier zoons gekregen: Jean chirur­gien, Blai­se, Raymond en Guilhaume. Deze Blaise en Raymond werden verondersteld te zijn gestorven in 1676 in dienst van de koning in de Armée de Ca­ta­lougne, een leger op expeditie in Catalonië. Het con­flict gaat tussen zijn zoons Jean en Guilhaume en hun oom Blaise.

Jean en Guilhaume eisten van oom Blaise een en ander uit de erfenissen van grootvader Jean en grootmoeder Anne. Blaise was het daar niet mee eens, stellend dat hij al meer heeft gegeven dan ze nu eisten door Jean drie jaar lang met kost en inwoning op te leiden tot chirurgienen door op verzoek van hun moeder een betaling te doen aan de pastoor. De neefjes Jean en Guilhaume stelden dat de waarde van de uiteindelijke erfenis van (groot)vader Jean hoger was dan het erfdeel dat hun vader bij zijn huwelijk had gekregen. Ze hadden op het punt gestaan om een rechtszaak te beginnen toen de familie ingreep. In de overeenkomst die tot stand kwam kocht Blaise de rechten van zijn neefjes af met 80 pond. Achterneef Jean Agnet Gimbrere van la Claverie tekende als getuige en heeft waarschijnlijk als bemiddelaar opgetreden.

De sfeer blijkt wel verstoord: neefje Jean is verhuisd naar Valence. Deze Jean had trouwens al een jaar eerder ruzie gemaakt met zijn broer Guilhaume over de verdeling van het huis bij de Borde deu Bosc dat ze van hun vader geërfd hadden. Dit is ook opgelost met een accord, na bemiddeling door vrienden. Opvallend genoeg waren daar geen familieleden bij betrokken. Jean was kennelijk een moeilijke man.

Het valt op dat voornamen geregeld terugkomen. Vernoeming naar grootvaders en ooms was gebruikelijk. Bij de namen Jean, Blaise, Raymond en Guilhaume (en later ook bij Bernard en Antoine) moesten we in ons onderzoek altijd goed oppassen welke persoon het nu precies betrof.