Op de pagina Tilburg en verder geven we een beeld van de professionele ontwikkeling van de eerste generaties van de Gimbrères in Nederland. Jean François was paraplufabrikant, vier van zijn vijf zoons oefenden hetzelfde beroep uit en ook vele kleinzoons wisten hiermee nog hun brood te verdienen.

Van de directe voorouders weten we dat Jean in Antwerpen slotenmaker was en zijn vader Dominique “cuisinier” in Bordeaux. Van de verdere Franse Gimbrères kennen we een verschillende beroepen. Waar in Nederland in de 19e eeuw het beroep van paraplufabrikant van de ene op de andere generatie Gimbrere overging, gebeurde dat in de 17e en 18e eeuw in Frankrijk met het beroep van chirurgijn.

De kerk had in het jaar 1215 priesters, die in die tijd het merendeel van de artsen uitmaakten, verboden om zich met chirurgie bezig te houden. In de Middeleeuwen is het beroep van chirurgijn een weinig in aanzien staand beroep. Chirurgijnen werden door die artsen beschouwd als eenvoudige handwerkers zonder kennis van zaken.

Pieter Jansz QUAST (1606-1647), Hollandse school, musée des Beaux Arts in Dôle

Van oorsprong behoorde alles wat met de hand op het lichaam werd uitgevoerd tot de competentie van de barbier-chirurgijn; de kunst van het scheren en knippen niet uitgesloten. In de loop van de tijd splitsten de beroepen van barbier en chirurgijn zich. Rond 1260 richtte de eerste chirurgijn van de koning in Parijs een gilde van meester-chirurgijnen op. Hieruit ontstond het eerste Collège de Chirurgie. De barbiers deden er alles aan om toch ook onderdelen van het geneeskundig vak uit te mogen oefenen. De rivaliteit tussen de chirurgijnen en de barbiers heeft lang geduurd, mede omdat de barbiers van koningen meermalen gelijke rechten kregen.

In het begin van de zeventiende eeuw zijn er echter twee herkenbare groepen uitgekristalliseerd: de (chirurgijn)barbier, die o.a. miltvuur, ruisvuur, abcessen en bulten behandelde, maar ook haren knipte. Daarnaast was er de meester-chirurgijn, die de in die tijd mogelijke operaties uitvoerde, zoals amputaties, schedelboringen, staaroperaties, het verwijderen van tumoren, maar zich ook met bevallingen bezig hield. In 1691 worden de “barberie” en de “chirurgie” officieel van elkaar losgekoppeld. Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw is ook in de provincie de scheiding van de beroepen geheel doorgevoerd.

Er ontstonden broederschappen van maitres chirurgiens, die werden geleid door een groepje van 5 functionarissen: een luitenant van de eerste chirurgijn van de koning, een griffier, een provoost, een “doyen” en een “médecin-juré”. De provoost werd telkens voor één jaar gekozen. De doyen was een soort plaatsvervanger van de lieutenant. De médecin-juré, was de representant van de oude suprematie van de Faculteit voor de geneeskunde.

Detail van het leercontract tussen gezel Dominique Peyracave en Blaise Gimbrere maitre chirurgien uit 1678

Voor de gezondheidszorg beschikte het oude Frankrijk namelijk ook nog over docteurs en médécine. Dit waren universitair geschoolden. Deze dokters bemoeiden zich echter alleen met de interne werking van het lichaam en grepen alleen in met medicijnen. De chirurgijns mochten het echte werk doen. Ze beoefenden een ambacht en de opleiding vond plaats van meester op gezel. Een gezel moest wel naar school geweest zijn om in de leer te mogen gaan. We zijn in een notarisregister uit Ayguetinte een leercontract uit 1678 tegengekomen (zie hierboven): een gezel ging 2,5 jaar in de leer en zijn ouders betaalden daar 60 pond en vier rollen linnen voor aan zijn maitre chirurgien.

De eerste directe voorvader Gimbrère die nog in Ayguetinte terug te vinden is, heette Jean. Hij was een welvarende herbergier. Jean had vijf zoons, van wie er drie maitre chirurgien waren. Een van die zoons, Blaise (die van het leercontract), had weer vijf zoons, die allemaal maitre chirurgien waren. Ook in andere plaatsen oefenden Gimbrères dit beroep uit. Verschillende vrouwelijke Gimbrères trouwden met een chirurgijn. De eerste Gimbrere die we aantroffen in Gaillac is Jean (1662 – 1710). Ook hij was van beroep maitre chirurgien. Al met al tellen we tussen 1600 en 1800 tenminste 17 Gimbrères die maitre chirurgien zijn.

We weten weinig van de werkomgeving van deze chirurgen. Wat hadden ze te zoeken in een gehucht als Ayguetinte? Waren er hospitalen in de buurt? In elk geval vonden we aanwijzingen dat deze chirurgen ook militaire taken vervulden. In de Revue de Gascogne vonden we dat Jean-Bernard Gimbrère, als chirurgien-major du regiment d’Auch, in 1766 deel uitmaakte van de broederschap aldaar. Hij was er zelfs twee keer provoost van.

Het napoleontische leger
État de services van Bazile Gimbrère

Vijftig jaar later treffen we Bazile aan (geb. 1788 in Larroque s/l’Osse), die als chirurg diende in het Napoleontische leger. In 1831 werd hij voor zijn verdiensten benoemd tot “Chevalier de l’Ordre de la Legion d’honneur”, een eer die 18 jaar later ook zijn halfbroer Jean ten deel viel. De opsomming van de veldslagen en belegeringen waaraan Bazile deelnam (zie deel van zijn “État de services“) is buitengewoon indrukwekkend. Bij deze veldslagen vielen alleen aan Franse zijde samen al meer dan 100.000 doden en nog veel meer gewonden. In de Russische veldtocht viel een groot deel van de slachtoffers overigens niet door krijgshandelingen, maar door de barre omstandigheden in het winterse Rusland. De grootse militaire nederlaag van Napoleon was de slag bij Leipzig (“Bataille des Nations”), die drie dagen duurde.

Na Napoleon keerde de rust op het front enigszins terug. Jean nam alleen nog deel aan een krijgstocht in Spanje (1823) om de absolute vorst Ferdinand VII weer in het zadel te helpen en aan het beleg van Antwerpen (1832/1833). Zijn Antwerpse naamgenoot maakte daar op dat moment deel uit van de Burgerwacht. Ze zullen niet van elkaars bestaan hebben geweten. De periode rond het jaar 1800 is een echte waterscheiding in Europa. De Franse revolutie was 11 jaar oud, Napoleon Bonaparte had net de macht gegrepen, de samenleving werd grondig gemoderniseerd. Troepen trokken door Europa. Ook voor de Gimbrères is dit een periode van verstrekkende veranderingen. Eén generatie lang verbleven er Gimbrères in Antwerpen. Daarna floreerden de Gimbrères in Tilburg